De aanvoer van zoet water via de rivieren neemt af, terwijl zout water vanuit zee steeds verder het land binnendringt. Verzilting is geen tijdelijk probleem meer, maar een structurele ontwikkeling met grote gevolgen voor onze delta.
Tot nu toe proberen we dit vooral technisch op te lossen: extra water aanvoeren, doorspoelen en systemen verbeteren. Dat blijft nodig, maar het is niet genoeg. Zoet water wordt schaarser. Dat betekent dat we keuzes moeten maken over waar en hoe we het beschikbare water inzetten.
De AWP vindt dat die keuzes nu expliciet gemaakt moeten worden.
Allereerst moeten we prioritaire zoetwatergebieden aanwijzen voor drinkwater en agrarische bedrijven. Dit zijn gebieden waar zoet water essentieel is voor de voedselvoorziening en de beschikbaarheid van schoon drinkwater. In deze gebieden moet het beleid gericht zijn op het beschermen van zoet water en het tegengaan van verzilting. Dat vraagt ook iets van de bedrijfsvoering: die moet aantoonbaar bijdragen aan een uitstekende waterkwaliteit. Natuur kan hier een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld als waterbergingsgebied om zoet water vast te houden en beschikbaar te houden in droge periodes.
Daarnaast moeten we transitiegebieden benoemen. Dit zijn gebieden waar verzilting toeneemt en waar het steeds moeilijker en duurder wordt om zoet water beschikbaar te houden. In deze gebieden moeten we ruimte geven aan natuur, met zoutminnende flora, en aan vormen van landbouw die passen bij een zouter watersysteem. Het in stand houden van huidige functies is hier niet altijd realistisch.
Tot slot moet water leidend worden bij woningbouw. Nieuwe woningen bouwen in gebieden zonder voldoende zoet water is niet toekomstbestendig. Waterbeschikbaarheid moet daarom een harde randvoorwaarde zijn bij ruimtelijke keuzes.
Dit vraagt om duidelijke bestuurlijke keuzes. Niet blijven optimaliseren binnen het bestaande systeem, maar sturen op een toekomstbestendige inrichting van het gebied. Dat betekent ook dat niet alle functies overal kunnen blijven zoals ze zijn.